Het station in Gouda heeft op welgeteld één perron een verwarmd wachtlokaal, en we hadden net de trein gemist. Mijn moeder, mijn zusje, en ik waaien binnen. Twee mannen zitten er al. Een met een geamuseerde enigszins ongemakkelijke glimlach om zijn gezicht, en de ander duidelijk dakloos. Hij had een kapotte zonnebril op en had maar één schoen aan. Laten we hem meneer A noemen. ‘GOEDEAVOND’ galmt hij. A. wijst naar de andere man, en zei: ‘Die daar is dakloos, heeft u wat voor hem over?’

De andere man, laten we hem meneer B noemen, schuifelt wat ongemakkelijk op de zwart stalen bank. Hij heeft een koffer waar hij nonchalant op probeert te rusten met een hand. Mijn moeder zit op dezelfde bank als onze luidruchtige gesprekspartner, en ik ga op de bank zitten met meneer B, voor wie wij ‘een tientje’ over moeten hebben.

Meneer A: ‘Ja, hij is dakloos. Ik zie het aan hem. Weet u, ik ben ervaringsdeskundige. Snapt u wel?’

Mijn moeder vraagt hem waarom.

Meneer A: ‘Ik ben 70 jaar. Ik heb 40 jaar op straat geleefd. En drie jaar geleden hebben ze me wat straat geplukt met een hartstilstand’. Hij wijst om zich heen. ‘Toen ik hier in het ziekenhuis lag zeiden ze van, dat gaat écht niet meer zo. Dat gaat niet meer goed komen op deze manier.’ En nu woont hij in Boskoop, in een flat.

Maar hij verkoopt nog wel de daklozenkrant. Vandaag op de huishoudbeurs. ‘Ziet u, en daar heb ik de hele dag gestaan. MILJOENEN worden daar van handen gewisseld, hé. En ik heb geen rooie rotcent verdiend!’

Hij begint weer over meneer B. ‘U heeft toch wel een tientje voor hem over? Over een maand is het PASEN! En het is bijna CARNAVAL!’
Ik merk op dat hij voor carnaval toch echt in het verkeerde gedeelte van ’t land zit. Maar ik ‘lul uit mijn nek’: in Boskoop zijn ze allemaal katholiek en daar wordt toch wel degelijk carnaval gevierd. Allemaal door rijkelui daar, in Boskoop. Mijn moeder merkt fijntjes op of dit te maken heeft met het feit dat ze Katholiek zijn. Maar volgens de man is het omdat ze ‘bloemen enzo’ importeren uit Afrika, waar dat allemaal door slaven wordt gedaan.

Hij vraagt wat wij doen voor werk. Mijn moeder is theologe. ‘HA!’zegt meneer A. ‘Dan moet u toch wel een tientje voor hem over hebben?! Staat er niet in de Bijbel, geeft alles weg en volgt mij!’

Mijn zusje kijkt op haar mobiel. ‘Dan moet je niet je mobiel pakken!’ zegt hij, ‘maar je portemonnee!’ Niet op je iPhone kijken!
Meneer A steekt zijn vinger uit naar mij. ‘Die jonge generatie, hé, met al die telefoons! Ik was vandaag in zo’n winkel, waar ze die iPhones verkopen, begrijpt u wel. Dat is toch belachelijk in zo’n winkel- je krijgt daar voor één cent een iPhone!’

Iedereen ziet er wat verward uit nu.

‘Ja’, zeg ik. ‘Je moet één cent pinnen als je een abonnement neemt.’

‘PRECIES! En dan krijg je gewoon zo’n telefoon mee! Mijn criminele plan, hé, is dat ik gewoon die telefoons spaar voor één cent per stuk, en dat ik dan naar de andere kant van de wereld vertrek. Kunnen ze me niets meer maken, begrijpt u wel?!’

Vijf minuten later hebben we het over de rechtszaak die hij heeft gewonnen van de Burgemeester van Amsterdam. Hij stond in een uitgaansgebied de straatkrant de verkopen en werd weggestuurd door een politieagent met een verwijderingbevel. En dat mag helemaal niet. Dus was hij in beroep gegaan. Welgeteld drie keer, en de derde keer voor de Raad van Staten in Amsterdam.

Er komen twee jongens die aan het praten zijn het lokaal binnen. Hij slaat keihard op de bank met zijn hand. ‘HÉ, JONGENS! IK BEN EEN VERHAAL AAN HET VERTELLEN OKAY!?’ Ze kijken beduusd naar de rest van de mensen die het verwarmde wachtlokaal zijn ingelopen. Waar was hij ook alweer?
Oh ja, hij had de rechtszaak gewonnen. Ondertussen komt er een vrouw binnen die met haar vriendin een dagje heeft geshopt in Gouda, en vier grote tassen met spullen meesjouwt.

‘Komt u ook van de huishoudbeurs?!’ vraagt meneer A verongelijkt.

Mijn moeder en ik barsten in lachen uit.

Goed, gewonnen rechtszaak. En de rechter had hem natuurlijk gewoon groot gelijk gegeven. Hij had nog geprobeerd om een schadevergoeding te krijgen, maar dat was hem dan niet gelukt.

‘Ach’, zeg ik, ‘gelijk krijgen was het toch wel waard?’

‘Ja’, zegt meneer A, ‘maar een vergoeding was wel fijn geweest!’

Hij begint weer over meneer B die nog steeds met ons in het lokaal zit. Begint zijn zakken weer af te werken voor dat tientje. Hij had wel een goede dag gehad, namelijk. Na de huishoudbeurs was hij gaan bedelen bij een kerk. En dat waren vriendelijke mensen daar. Er was een concert, het Requiem van Mozart. Ja, en dat is dan allemaal in het Latijns, natuurlijk.

‘… en Pater is dan vader, en Mater moeder, jajaja’.

Onze trein komt eraan, en we wensen hem een fijne avond. In de trein bedenkt mijn moeder ineens dat meneer B best eens écht dakloos zou kunnen zijn. Hij zat er al toen wij eraan kwamen. Hij had de trein naar Den Haag niet genomen, niet de intercity naar Rotterdam, en voor de trein richting Utrecht zat hij op het verkeerde perron. Vanuit de trein zien we hoe de twee mannen nu weer alleen in het verwarmde lokaal zitten. Misschien kan de één nog een tientje vinden voor de ander.